De diagnose
'(kwaadaardige) hersentumor' komt normaal gesproken aan het licht, doordat
er naar aanleiding van neurologische klachten of verschijnselen aanvullend
onderzoek wordt verricht. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om een eerste
epileptische aanval, hoofdpijn, gedragsverandering of uitvalsverschijnselen.
Lees meer hierover bij klachten
en verschijnselen .
Onderzoek
Meestal zal de huisarts de betrokkene naar de neuroloog
verwijzen, die vervolgens lichamelijk onderzoek en aanvullend onderzoek doet,
indien het vermoeden rijst op aanwezigheid van een hersentumor. Het gaat dan
vooral om 'beeldvormend onderzoek' van de hersenen middels een CT-scan of een
MRI. Als dit onderzoek een afwijking toont die verdacht is
voor een kwaadaardige hersentumor, wordt betrokkene in het algemeen verwezen
naar de neurochirurg: "de neuroloog diagnosticeert en de neurochirurg opereert",
indien mogelijk.
Bij de operatie (craniotomie) wordt op
een zo veilig mogelijke manier zoveel mogelijk afwijkend weefsel weggenomen. De
chirurgische mogelijkheden hangen hierbij vooral samen met de plaats van de
tumor binnen de schedel: zo is soms alleen een biopsie mogelijk, waarbij slechts
een klein stukje weefsel kan worden weggenomen. In andere gevallen kan een groot
gedeelte van de tumor worden verwijderd gedurende de operatie. In voorkomende
gevallen kan ook in eerste instantie worden afgewacht. Dit geldt als er sprake
lijkt te zijn van een relatief goedaardige afwijking in het
hoofd.
Uiteindelijk kan de juiste diagnose pas worden gesteld, als
de afwijking door de patholoog-anatoom is bestudeerd: een stukje van de
hersentumor wordt hierbij, na bewerking, onder de microscoop bekeken. Alleen op
deze manier kan de aard van de afwijking, zoals gezien op een hersenscan, op de
juiste wijze worden geïnterpreteerd. Zie ook diagnose.
Behandelingsstrategie
Nadat de diagnose gesteld is, kan de juiste behandelstrategie
worden bepaald, die mede afhankelijk is van de tumorsoort. De behandeling
kan bestaan uit (aanvullende) neurochirurgie
,
radiotherapie en/of chemotherapie. Ook kan worden gekozen voor een
afwachtend beleid, waarbij in eerste instantie niet hoeft te worden nabehandeld.
Natuurlijk blijft de patiënt wel onder medische controle.
Behandelaars
Al met al zullen de patiënt en
zijn naasten in een vroeg stadium te maken krijgen met meerdere artsen:
huisarts, neuroloog, neurochirurg, radiotherapeut, oncoloog. Al deze dokters
bieden "neuro-oncologische zorg". Het is van groot belang om het overzicht
hierbij niet te verliezen. In meerdere ziekenhuizen in Nederland wordt de
neuro-oncologische zorg dan ook "multidisciplinair" genoemd en georganiseerd:
verschillende specialisten zijn bij uw ziekteproces betrokken, en over de
behandeling wordt de patiënt van meerdere kanten, maar tegelijkertijd ook in
goed onderling overleg, geïnformeerd.
In sommige centra speelt een
neuro-oncologisch verpleegkundige een grote rol. Bij diegene kunt u ook met
vragen terecht. Overigens is de organisatie van de neuro-oncologische zorg in de
verschillende ziekenhuizen verschillend van opzet.
Controle
Ook na een behandeling blijft de patiënt onder controle. Zo is het nodig om
de effecten van neurochirurgie, radiotherapie en chemotherapie te controleren.
Ook kan blijken dat medicijnen gedurende langere tijd nodig zijn, zoals
medicijnen tegen epilepsie of hersenzwelling.