Het vooruitzicht van de patiënt met een glioom hangt in het algemeen samen met de situatie van de patiënt (leeftijd, mate van handicap, tumorsoort) en met de behandeling van de tumor. De gemiddelde overleving van een patiënt met een laaggradig glioom varieert van 5 tot ruim 15 jaar. Bij het hooggradig glioom ligt deze tussen circa ruim 1 jaar voor het glioblastoom en 3 jaar voor het anaplastische astrocytoom. Patiënten met een oligodendroglioom of een oligo-astrocytoom (mengglioom) hebben in het algemeen een betere prognose dan patiënten met een astrocytoom.
Ondanks deze gegevens blijft het voor de behandelend arts onmogelijk om bij de individuele patiënt met zekerheid een uitspraak te doen over de levensverwachting. De vraag “hoe lang heb ik nog, dokter?” kan dan ook alleen met de nodige nuancering worden beantwoord. Dat geldt eveneens voor de vraag “hoe zal het met mij gaan?”. Ook hierover kan de behandelend arts slechts in algemene termen spreken.
Vaak is er sprake van toenemende klachten en verschijnselen, mede afhankelijk van de plaats van de tumor en de effecten van de behandeling, in positieve en negatieve zin. Zo hebben bijvoorbeeld anti-epileptica en dexamethason specifieke voordelen, maar helaas ook negatieve bijwerkingen. Zie ook bij veelgebruikte medicijnen. Dit geldt ook voor chemotherapie en radiotherapie.