In het algemeen zal een kwaadaardige hersentumor helaas vroeg of laat terugkeren. Dat kan gepaard gaan met nieuwe klachten of verschijnselen. Soms is er sprake van nieuwe afwijkingen op een CT- of MRI scan, terwijl er nog geen nieuwe klachten zijn. Of er dan sprake is van een “tumorrecidief” of “pseudoprogressie” is niet altijd makkelijk te bepalen. Bij een tumorrecidief is er sprake van terugkeer of uitgroei van de tumor. Men spreekt van ‘pseudoprogressie’ bij veranderingen door een eerder gegeven behandeling, zoals “necrose” (dood weefsel) door radiotherapie. Dat kan er op een CT- of MRI scan soms net zo uitzien als een echt terugkerende tumor.
De mogelijkheden van behandeling van het tumorrecidief hangen samen met verschillende aspecten, zoals de lichamelijke en psychische conditie op dat moment, de plaats van de tumor en de behandelingen die al dan niet eerder zijn gegeven .
Zo is het soms mogelijk om nogmaals te opereren, nogmaals te bestralen, of een andere vorm van chemotherapie toe te passen. Ook experimentele therapieën worden bij terugkeer van de tumor regelmatig gegeven. Dit laatste gebeurt in zogenaamde “klinische trials”: onderzoek, waarvoor u gevraagd kan worden om in te participeren. In het algemeen komen alleen patiënten in een relatief goede conditie voor dit soort studies in aanmerking.
Naast de levensverwachting is de kwaliteit van leven van groot belang. De behandelend arts zal daarover met de patiënt spreken: elke behandeling heeft zijn voor- en nadelen voor de kwaliteit van leven. Het is ook belangrijk dat de patiënt zelf hierover nadenkt en meedenkt.
Het kan zijn dat de tumor op een gegeven moment niet meer bestreden kan worden. De arts zal dat met de patiënt en naasten bespreken. Dan treedt de “palliatieve” fase in, waarin het behandelen en verzachten van klachten voorop staat. Een voorbeeld hiervan is het geven van dexamethason ter bestrijding van de klachten als gevolg van vochtophoping rond de hersentumor. Pijn kan worden bestreden met lichte pijnstillers tot morfine. Rustgevende medicijnen kunnen angst, onrust of verwardheid tegen gaan. De al eerder genoemde anti-epileptica helpen bij het onderdrukken van epileptische aanvallen. Vaak is de huisarts een belangrijke raadgever in deze fase. Zie ook zorg in de laatste levensfase